Distichiasis

Distichiasis is een aandoening van oogharen. Letterlijk betekent het woord “dubbele rij”.

Dit suggereert dat er bij distichiasis sprake zou zijn van 2 rijen oogharen. De hond heeft geen oogharen, maar wat we zien aan haren rond het oog zijn huidharen.

 

Deze huidharen lijken net wimpers, en hun stand is van het oog af gericht. Bij distichiasis is er sprake van een abnormale ooghaargroei op de oogleden. Bovendien groeien deze haren zodanig dat ze binnenwaarts, dus naar het oog toe, gericht zijn. Het kan slecht één enkele haar betreffen, maar ook een paar of een hele rij. De naar binnen groeiende haren prikken tegen het oog (hoornvlies) aan en dit raakt geïrriteerd en beschadigd. Dit kan ernstige vormen aannemen (zie foto).

 

Het oog kan gaan tranen, honden gaan meer met de ogen knipperen, en het oog kan rood worden. Men zou de haar (haren) kunnen epileren, maar dan groeit hij na een paar weken terug. De oogarts is in staat om de haar chirurgisch, met haarwortel erbij, te verwijderen zodat deze niet teruggroeit. Bij Distichiasis kunnen 2 verschillende soorten haren voorkomen. Er zijn:

 

Zachte haren, deze veroorzaken over het algemeen geen letsel omdat ze in de traanfilm liggen.

 

Harde haren, deze geven een verhoogde traanproductie en knijpen met de ogen. Deze harde haren kunnen het hoornvlies irriteren of zelfs beschadigen. Waarbij verhoogde traanproductie tot traanstreepvorming kan leiden.

 

Volgens dhr. Boeve van de Kliniek voor Gezelschapsdieren te Utrecht heeft een hond distichiasis of heeft hij het niet. De kwalificatie “voorlopig niet vrij” is meer bedoeld voor ziekten als cataract en PRA, die aan progressie onderhevig kunnen zijn.

Haren kennen 4 groeifasen en tijdens een bepaalde fase vallen ze uit, om vervolgens weer aan te groeien. Het kan zijn dat bij een hond distichiasis is geconstateerd en dat een tijdje later dat niet wordt waargenomen. Dat hangt dus van de groeifase van de haar af. En betekent dus niet dat de hond geen distichiasis meer heeft. Een hond waarbij eens distichiasis is geconstateerd, blijft dus altijd distichiasis hebben. Dhr. Boeve geeft aan dat er altijd eigenaren zullen zijn die (zeker als het een hond met maar een paar haartjes betreft) voor het onderzoek de haartjes uittrekken. De onderzoekende dierenarts zal dan de ziekte ook niet kunnen constateren.

 

Distichiasis wordt als erfelijke aandoening beschouwd, maar de wijze van vererving is niet geheel duidelijk (dominant of recessief). De vererving van distichiasis is ingewikkeld, waarschijnlijk vererft dit over meerdere genen en zijn er nog een aantal andere factoren bij betrokken. De wetten van Mendel kunnen in ieder geval niet zomaar worden toegepast. Het is dhr. Boeve bekend dat verschillende rasverenigingen verschillend met het ziektebeeld omgaan. Zelf acht dhr. Boeve het fokken met lijders, zeker op de langere termijn, niet verstandig. Hij weet dat in Duitsland lijders gecombineerd worden met vrije honden en dat een aantal Amerikaanse verenigingen hier ook heel soepel mee omgaan. Volgens dhr. Boeve krijgt men dan nu nog hondjes die hoogstwaarschijnlijk de ziekte niet zullen krijgen, maar op de langere termijn sluipt de afwijking wel in alle lijnen en acht hij de kans dat er meerdere lijders zullen komen reëel aanwezig.

 

Dhr. Boeve kan zich hooguit nog iets voorstellen bij rassen waar weinig fokdieren ter beschikking staan, maar blijft het fokken met lijders – zeker met het oog op de toekomst - niet verstandig vinden.

 

Schapendoezen die lijden aan distichiasis zijn bij de VNS uitgesloten van fokkerij, bij de Schapendoesclub niet.

2018 © Marjolein Flobbe

fight cancer logo
KWF logo
  • Wix Facebook page
  • Twitter Classic
  • LinkedIn App Icon